Vrucht (plant)






Groentekraam met verschillende vruchten


De vrucht is in de strengste betekenis het rijp geworden vruchtbeginsel van een bloem en bevat in het algemeen de na bevruchting uit de zaadknoppen ontwikkelde zaden. Ook andere delen kunnen echter meegroeien, die men dan ook tot de vrucht rekent.[1] De eerste noemt men dan "echte" vruchten, maar bij de "schijnvruchten" vormen andere delen dan het vruchtbeginsel het hoofdbestanddeel.


Soms treedt er geen zaadvorming, maar wel vruchtvorming op. Dit verschijnsel wordt parthenocarpie genoemd. Het woord is afgeleid van parthenos wat maagd en van karpos dat vrucht betekent. Komkommer is een voorbeeld van een parthenocarpe vrucht, maar ook pitloze sinaasappels en mandarijnen zijn hier een voorbeeld van.


Het vruchtbeginsel is opgebouwd uit één of meer vruchtbladen. Deze kunnen elk afzonderlijk een vruchtbeginsel en een vrucht vormen, maar kunnen ook vergroeid zijn tot een één- of meerhokkig vruchtbeginsel en zo een vrucht vormen. Soms wordt een meerhokkige vrucht gevormd door de vorming van valse tussenschotten, zo vormt de doornappel een vierhokkige vrucht.


Als uit één bloem één vrucht ontstaat wordt van een enkelvoudige vrucht gesproken.



  • Ontstaan uit één bloem meerdere vruchten dan is dit een verzamelsteenvrucht (framboos, braam). Dit is mogelijk bij een bloem met meerdere stampers.

  • Een samengestelde vrucht als de ananas is een vrucht die uit een cluster van meerdere bloemen is ontstaan. Tijdens de groei tot vrucht, vergroeien de vruchtbeginselen tot één geheel.


Als het vruchtbeginsel en andere delen van de bloem, bijvoorbeeld de bloembodem, samen uitgroeien tot een vrucht ontstaat een schijnvrucht (aardbei, vijg, lampionplant, rozenbottel).




Inhoud






  • 1 Vruchttypen


  • 2 Vlezige vrucht


  • 3 Complexe vormen


  • 4 Bijzondere vormen


  • 5 Verspreiding van vruchten


    • 5.1 Zoöchorie


    • 5.2 Hydrochorie


    • 5.3 Myrmecochorie


    • 5.4 Anemochorie




  • 6 Zie ook





Vruchttypen


De vruchten worden verdeeld in vlezige vruchten en droge vruchten, deze laatste weer in openspringende en niet-openspringende vruchten:[2]





















Vlezige vruchten
Droge vruchten
Openspringende vruchten
Niet openspringende vruchten





    • Vlezige vruchten


      • bes (aardappel, tomaat, meloen, blauwe bes, druif, banaan)


      • bottel (rozen)


      • steenvrucht (kers, pruim, perzik, kokosnoot, sinaasappel, braam, framboos)

      • pitvrucht (appel, peer)

      • komkommervrucht (komkommer)

      • oranjevrucht (sinaasappel)



      • samengestelde vrucht (ananas)





    • Droge vruchten (zie hiernaast)









    • Kluisvrucht (openspringend, één zaad per vrucht)



      • Vijfkluizig (Geranium, springzaad)





    • doosvrucht (openspringend, meer dan één zaad per vrucht)


      • peul (vlinderbloemigen, zoals boon, erwt)


      • kokervrucht (dotterbloem, witte engbloem)


      • hauw; minstens driemaal zo lang als breed (koolzaad, pinksterbloem)


      • hauwtje; hoogstens driemaal zo lang als breed (judaspenning, herderstasje)



      • Openspringende doosvrucht

        • met kleppen (akkerviooltje, doornappel, klaverzuring, paardenkastanje)

        • met tanden (dagkoekoeksbloem)

        • met spleten (orchidee)

        • met poriën (klaproos)



        • met deksel (guichelheil)













    • dopvrucht (niet openspringend, één zaad per vrucht)

      • enkele dopvrucht (scherpe boterbloem)


        • noot vruchtwand is verhout (hazelnoot, eikel, beukennoot, linde)



        • nootje dikwijls met vruchtpluis (composieten paardenbloem, klein kruiskruid)



      • gevleugelde noot (es, iep)

      • dubbele dopvrucht



        • gevleugelde dopvrucht (esdoorn)



      • veelvoudige dopvrucht (Aardbei)



      • splitvrucht splitst zich bij rijpheid in afzonderlijke dopvruchten

        • tweedelige splitvrucht (gewone berenklauw, fluitenkruid, zevenblad)



          • gevleugelde splitvrucht (esdoorn)



        • driedelige splitvrucht (Oost-Indische kers, moeraszoutgras)

        • vierdelige splitvrucht (witte dovenetel, gewone smeerwortel)

        • vijfdelige splitvrucht (gewone reigersbek)



        • veeldelige splitvrucht (groot kaasjeskruid, muskuskaasjeskruid)






    • graanvrucht (grassen)



    • sommige doosvruchten







  • Steenvrucht: Reine Victoria met gomgang in lengte doorgesneden.




    Besvrucht: tomaat in lengte doorgesneden





    Appel.





    Zaaddoos met aan de bovenkant geopende poriën van de klaproos.




    Doosvrucht met haakjes van kleefkruid.




    Opengesprongen doosvrucht van akkerviooltje.





    Noten van hazelaar ras Géant de Halle.




    Gevleugelde splitvruchten van rode noorse esdoorn.




    Graanvrucht zonder kafjes (tarwekorrels)




    Complexe vorm: aardbei in lengte doorgesneden




    Vlezige vrucht




    Klokhuis van een appel


    De vlezige vrucht bestaat uit drie lagen:



    • Exocarp. De buitenste laag. Bij o.a. sinaasappel de schil genoemd.

    • Mesocarp. Het vruchtvlees of een deel van het vruchtvlees.

    • Endocarp. Bijvoorbeeld de stenige wand van een kersenpit, pruimenpit of die van de bramenpitjes. In de pit zit het eigenlijke zaad.


    Deze drie lagen worden tezamen het pericarp genoemd. Bij sommige vruchten, zoals de appel of de aardbei is ook nog de opgezwollen bloembodem een deel van het vruchtvlees.

    Soms vormen twee of drie lagen één geheel en zijn ze afzonderlijk niet meer te herkennen. Zo zijn bij de appel het exocarp en mesocarp niet meer van elkaar te onderscheiden en vormen gezamenlijk met de opgezwollen bloembodem het vruchtvlees. Het klokhuis is het endocarp met daarin de zaadjes (pitjes) en in het midden de vaatbundel naar het steeltje. Bij meloen bestaat de schil uit een samensmelting van de bloembodem en het exocarp.



    Complexe vormen


    Een vrucht kan in verschillende categorieën tegelijk vallen zo is een aardbei een vlezige, veelvoudige schijnvrucht met dopvruchtjes.



    Bijzondere vormen




    • Graanvrucht (graankorrel, graszaad). Hierbij is de vruchtwand met de zaadhuid en de zaadkern vergroeid. Soms, zoals bij gerst, rijst en timotheegras, ook nog verder vergroeid met de omhullende kafjes. Gerst en rijst moeten dan ook in een pelmolen gepeld worden om de kafjes van het zaad te scheiden.


    • Beuk en andere Fagaceae. Bij de beuk is de vrucht een droge schijnvrucht. De noot wordt omgeven door een napje dat gevormd wordt uit de vruchtbladen en de schutbladen.


    • Els. De zwarte elzenproppen (vruchtkorfjes), die lang (tot in het volgende jaar) aan de boom kunnen blijven hangen, zijn verhoutte schubbetjes die de eigenlijke vruchtjes omsluiten en nadat deze rijp zijn geworden omhoog gaan staan.


    • Rozen. De bottels zijn bloembodems met daarin de nootjesachtige vruchten.



    Verspreiding van vruchten


    Vruchten worden voornamelijk verspreid door dieren (zoöchorie), de wind (anemochorie), water (hydrochorie) en bepaalde insecten (myrmecochorie).



    Zoöchorie


    Zowel vogels als zoogdieren zorgen voor verspreiding van vruchten.


    Vogels eten vooral besvruchten, maar ook pikken ze vlezige vruchten zoals appels aan. De besvruchten worden meestal in hun geheel doorgeslikt en de zaden worden op deze manier met de uitwerpselen verspreid. Er zijn zelfs zaden die pas kunnen kiemen als ze door een vogelmaag gegaan zijn.


    Ook zijn er vogels die noten kunnen kraken, maar niet alle noten worden echter gekraakt. Zoogdieren zoals eekhoorns leggen wintervoorraden aan, die ze niet allemaal kunnen terugvinden.


    Aanhangsels aan de vrucht zoals bij kleefkruid, de gewone klit en wortel zorgen ervoor dat de vruchten aan dieren en aan kleding blijven kleven en zo over grote afstand verspreid worden.



    Hydrochorie


    De zaden van veel oever- en moerasplanten kunnen drijven en worden verspreid door water (stroming, wind). Voorbeelden zijn de gele lis, els.



    Myrmecochorie


    Aan vruchten en zaden kunnen ook mierenbroodjes zitten, waardoor deze verspreid worden door mieren.



    Anemochorie


    Aan vruchten kunnen allerlei aanhangsels zitten die de verspreiding door de lucht faciliteren, zoals:



    • vruchtpluis (wilgen, populieren, veel composieten, o.a. paardenbloem)

    • vleugels (esdoorn, es)

    • blaadje aan bloemsteel (linde).



    Zie ook



    • Fruit

    • Zaad (plant)

    • Naaktzadigen











    Plantkunde en deelgebieden
































    Bijzondere plantkunde:
    algologie · bryologie · dendrologie · fycologie · lichenologie · mycologie · pteridologie
    Paleobotanie:
    archeobotanie · dendrochronologie · fossiele planten · gyttja · palynologie · pollenzone · varens · veen
    Plantenmorfologie & -anatomie:
    beschrijvende plantkunde · adventief · apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · bloemkroon · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · intercellulaire ruimte · kelk · kroonblad · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sclereïde · sclerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote
    Plantenfysiologie:
    ademhaling · bladzuigkracht · evapotranspiratie · fotoperiodiciteit · fotosynthese · fototropie · fytochemie · gaswisseling · geotropie · heliotropisme · nastie · plantenfysiologie · plantenhormoon · rubisco · stikstoffixatie · stratificatie · transpiratie · turgordruk · vernalisatie · winterhard · worteldruk
    Plantengeografie:
    adventief · areaal · beschermingsstatus · bioom · endemisme · exoot · flora · floradistrict · floristiek · hoogtezonering · invasieve soort · Plantengeografie · status · stinsenplant · uitsterven · verspreidingsgebied
    Plantensystematiek:
    taxonomie · botanische nomenclatuur · APG I-systeem · APG II-systeem · APG III-systeem · APG IV-systeem · algen · botanische naam · cladistiek · Cormophyta · cryptogamen · classificatie · embryophyta · endosymbiontentheorie · endosymbiose · evolutie · fanerogamen · fylogenie · generatiewisseling · groenwieren · hauwmossen · kernfasewisseling · korstmossen · kranswieren · landplanten · levenscyclus · levermossen · mossen · roodalgen · varens · zaadplanten · zeewier
    Vegetatiekunde & plantenoecologie:
    abundantie · associatie · bedekking · biodiversiteit · biotoop · boomlaag · bos · Braun-Blanquet (methode) · broekbos · climaxvegetatie · clusteranalyse · concurrentie · constante soort · differentiërende soort · ecologische gradiënt · ecologische groep · Ellenberggetal · gemeenschapsgradiënt · grasland · heide · kensoort · kruidlaag · kwelder · minimumareaal · moeras · moslaag · ordinatie · pioniersoort · plantengemeenschap · potentieel natuurlijke vegetatie · presentie · regenwoud · relevé · ruigte · savanne · schor · steppe · struiklaag · struweel · successie · syntaxon · syntaxonomie · Tansley (methode) · toendra · tropisch regenwoud · trouw · veen · vegetatie · vegetatielaag · vegetatieopname · vegetatiestructuur · vegetatietype · vergrassing · verlanding












    Popular posts from this blog

    Floris Gerts

    Gregoriusmis

    Goes